Column

Lissabonsyndroom

Lissabon en rampen zijn voor mij synoniem. Zo herinnert Lissabon mij aan de totale vernietiging in 1755 toen een aardbeving en een tsunami gevolgd door een brand de complete stad verwoestten. Precies 250 jaar later breekt er weer een ramp uit. Paul Merciers Nachttrein naar Lissabon komt uit: een pretentieus quasifilosofisch boek. Een andere Lissabonse ramp is een vakantie die ik bijna tien jaar geleden in Lissabon hield. Er was geen onderdak meer in Lissabon waarop ik door de plaatselijke VVV naar Sintra – een stad in de bergen – werd gestuurd. De treinreis duurde slechts 40 minuten, maar wat bleek: de jeugdherberg waar de VVV mij naar verwezen had, lag boven op een berg en er was geen enkele horeca-uitspanning op die berg. Helemaal verhongerd zat ik mij boven op die berg te vervelen. Je had er ook geen mooi uitzicht want het was enorm mistig. Gelukkig hebben enkele Italianen mij toen gered van de hongerdood door naar de stad te reizen en daar hamburgers – die koud afgeleverd werden – voor mij mee terug nemen.

Lissabon is voor juristen onlosmakelijk verbonden met het verdrag ter hervorming van de organisatie en besluitvorming van de Europese Unie uit 2007. In dit geval was Lissabon niet zozeer een ramp, maar eerder het gevolg van een ramp: het mislukte referendum voor een Europese Grondwet in 2005. Het ratificatieproces van de Europese Grondwet werd afgebroken na de negatieve uitslag in de referenda in Frankrijk en Nederland. Later werd het hervormingsverdrag opnieuw aan de EU-lidstaten voorgelegd, maar niet langer als Europese Grondwet uitgevent op ongeveer dezelfde manier als Microsoft die het barokke Windows Vista voortijdig voor het zakelijker Windows 7 inwisselde. In de verschillende EU-lidstaten moet voor ratificatie nagegaan worden of het verdrag met de eigen constitutionele orde te verenigen is. In Duitsland werd geklaagd bij het constitutionele hof, het Bundesverfassungsgericht, dat de voorgestelde wijzigingen van het Lissabon-verdrag in strijd zouden zijn met de bepalingen uit de Duitse constitutie die het kiesrecht en het democratiebeginsel betreffen (artikel 38 lid 1 jo artikel art. 23 lid 1 Grundgesetz).

Ik moet zeggen dat ik – ondanks een latente jurisprudentievrees – erg genoten heb van de uitvoeringen van het Bundesverfassungsgericht in zijn Lissabon-oordeel van 30 juni 2009. Het constitutionele hof zet op doorwrochte wijze uiteen wat nu eigenlijk het probleem is en begint met een heldere opsomming van de principiële overwegingen die aan het oordeel ten grondslag liggen. De politieke macht van de Europese Unie neemt steeds meer en aanzienlijk toe zodat het niet overdreven is om te stellen dat de Europese Unie op bepaalde gebieden zich als een federale staat ten opzichte van de lidstaten gaat verhouden. Er ontstaat een spanning omdat de besluitvormings- en benoemingsprocedures nog naar het traditionele volkenrechtelijke model van internationale organisaties zijn ingericht. Het Bundesverfassungsgericht geeft een scherpe staatsrechtelijke analyse van wat sommige politici ‘de verkwanseling van het Nederlandse belang’ noemden omdat de invloed van de Europese Unie steeds groter wordt, maar de substantiële invloed die burgers via hun eigen parlement of het Europese parlement op de Europese besluitvorming hebben nauwelijks toeneemt.

Nadat ik met veel plezier deze belangrijke gezichtspunten gelezen had die zich met de kernvragen van het constitutionele recht bezighouden, was ik benieuwd naar de bespreking van het oordeel van het Bundesverfassungsgericht in het Nederlands Juristenblad (2 oktober 2009, nr. 33, p. 2112-2116). En in plaats van lof voor de grondige wijze waarop het Duitse constitutionele hof de achterliggende principes bij de toename van de bevoegdheden van de Europese Unie uiteenzette, volgde een zeldzame reactie: ‘Het zou waarschijnlijk raar zijn geweest als het Duitse Constitutionele Hof in zijn arrest zomaar groen licht had gegeven zonder er een hoorcollege over de suprematie van de lidstaten met wat voorwaarden en waarschuwingen in te bouwen.’ Een hoorcollege? Waar komt deze minachtende toon voor het Bundesverfassungsgericht vandaan? Is het afgunst vanwege het ontbreken van een constitutioneel hof in Nederland? Jaloezie vanwege het staatsrechtelijke amateurisme in Nederland dat fundamentele constitutionele vragen liever uitsluitend aan politici overlaat onder het oude adagium ‘het staatsrecht houdt hier op’? Ik voelde mij onpasselijk worden bij het lezen van het NJB – ik kreeg weer even een last van mijn Lissabonsyndroom.

Jeroen Kiewiet